reanimatie wilsverklaring

Het is negen uur ’s avonds en ik word gebeld. De ambulance is onderweg met een man die zij zojuist gereanimeerd hebben. Ze zijn er over vijf minuten. We vormen een team. Twee verpleegkundigen, een arts in opleiding, en ik. We bespreken de taakverdeling. De opvang van een patiënt na een reanimatie moet gestructureerd en volledig zijn; het is een fragiel evenwicht met het leven aan een zijden draadje.

Vechten voor het leven

Hij is 92, en woont in een verzorgingstehuis. De laatste jaren heeft hij het moeilijk gehad. Hij maakte een hartinfarct en beroertes door, en is vrijwel volledig afhankelijk van zorg. Hij is geliefd bij de verpleging, en heeft geen familie meer. 

Mijn collega’s van de ambulance werden ingeschakeld door een verpleegkundige van het tehuis. Zij had hem in de stoel zien wegzakken en was gestart met hartmassage. Roze schuim kwam uit zijn mond op het moment dat de ambulancebroeder de reanimatie voortzette. Het had minstens 30 minuten geduurd. Er waren meerdere keren elektrische shocks toegediend. Mijn collega’s vochten met alles wat ze hadden voor zijn leven. Met resultaat, hij had de reanimatie overleefd.

Patiëntendossier 

Ik vind zijn naam in het digitale patiëntendossier. Bovenaan staat in rode arcering zijn reanimatiewens beschreven: niet reanimeren, geen beademing, geen opname op de intensive care. Ik schrik. Ik controleer de gegevens in eerdere brieven. Ook hierin staat de wens duidelijk beschreven. Een wens die bij het tehuis niet bekend was.

Hij kijkt angstig om zich heen, zijn huid is wit-blauw. Zijn ademhaling gaat te snel, zijn longen klinken vol met vocht. Hij heeft te weinig zuurstof in zijn bloed, praten lukt niet goed, hij is te benauwd. ‘U bent nu in het ziekenhuis omdat u net een hartstilstand hebt gehad’, leg ik hem uit. ‘We gaan u helemaal nakijken’. Hij knikt, angstig. ‘Klopt het dat u niet gereanimeerd wilt worden mocht dat nodig zijn?’, vraag ik. Dit is vooral voor mijn eigen geruststelling, besef ik, het dossier zegt eigenlijk genoeg. Hij knikt, de verpleegkundigen bevestigen wat ik zie.

Wilsverklaring

De arts in opleiding kijkt hem vlot volledig na. We concluderen samen dat hij lijdt aan ernstig hartfalen, door opnieuw een hartinfarct. Het hartfilmpje bevestigt onze diagnose. Ik maak een echo van zijn hart, het pompt nauwelijks bloed rond. We besluiten hem te behandelen met zuurstof en medicijnen. We overwegen een dotterprocedure, en overleggen met de cardioloog. De verpleegkundigen maken de medicijnen klaar.

Ik doe een stapje naar achteren.

Op dat moment zie ik zijn ogen groter worden. Hij kreunt. Zijn lippen worden paars, hij wordt onrustig. ‘Team’, zeg ik. ‘Volgens mij is dít het’.

We kijken elkaar aan, zeggen niets. De ene verpleegkundige dekt hem warm toe, de ander de zet de alarmen van de monitor zacht. De arts in opleiding pakt, net als ik, zijn hand. Met mijn andere hand aai ik zijn wang. ‘Sssssssh’, sus ik. Hij wordt rustiger. Hij heeft geen familie meer, maar hij is niet alleen. Op de monitor zie ik zijn hartritme veranderen. Zijn huid wordt grauw. Hij is rustig, lijkt niet bang. Zijn hart staat stil, en wij doen niets. 

Precies zoals hij het gewenst heeft

Ik vertel mijn jonge collega over het stervensproces. ‘Vlak na de dood kunnen mensen soms plots nog een ademteug laten horen, of laat het hart nog even wat elektrische activiteit zien. Dat is soms best schrikken, maar hoort er bij’, vertel ik. Zij knikt. Een moment later ziet ze me daadwerkelijk schrikken van zijn laatste zucht. ‘Zo zie je maar weer, het went nooit echt dit’, zeg ik, met natte ogen. 

Disclaimer: In verband met privacy en herleidbaarheid zijn een aantal essentiële patiëntenkarakteristieken gewijzigd of verwijderd, dan wel fictionele elementen toegevoegd.