Ik schrik wakker van een oorverdovend lawaai. Even weet ik niet waar ik ben. Wie ik ben. Of ik ben. Dan begint het me te dagen. Ik ben in het ziekenhuis. En het is midden in de nacht.

Lawaai

Het lawaai houdt aan en het duurt even voordat ik door heb dat het mijn reanimatie pieper is die het geluid veroorzaakt. Ik kijk op het schermpje. Reanimatie bij de CT scan, staat er. Nog warrig trek ik snel mijn witte jas aan, pak mijn stethoscoop, en zet al lopend mijn haar vast met een clip. Snelwandelen als je net wakker bent, het is een vreemd gevoel.  Ik bel een collega om mij de echomachine te komen brengen.  Bij reanimaties heb ik die vrijwel altijd nodig.

Lijkbleek

Hij ligt op het schuifbed van de CT scan, lijkbleek.  Ik denk even dat hij dood is, maar als ik hem aan spreek kijkt hij me grote ogen aan. Hij ademt, en heeft een hartslag. Hij leeft.

Zijn behandelend arts verteld me dat hij veel bloed lijkt te verliezen.  De CT scan moet de oorzaak aantonen. Vlak voordat de scan verricht werd viel hij vanwege zijn lage bloedgehalte en bloeddruk een aantal keren flauw.

Reden genoeg om mij op te piepen

Ik kijk hem vlot na, start een infuus, en besluit om hem aan de monitor te leggen en de CT scan snel te laten verrichten.  Doordat zijn bloeddruk zo laag is, en het contrastmiddel wat we geven daardoor niet goed aankomt, mislukt de scan en moet hij nog een keer.

De CT scan laat een bloeding zien in zijn buik. De chirurg en radioloog overleggen over de beste behandelmethode. Ik neem hem ondertussen in het holst van de nacht mee naar de spoedeisende hulp. De plek waar ik me veilig voel en de weg ken. Waar ik hem indien het nodig is, het beste kan helpen.

Ik geef hem medicijnen die het bloeden tegen gaan. De chirurg bestelt zakken bloed.  Zijn situatie stabiliseert.  Ik maak een grapje en hij lacht er om.

Behandeling

Het besluit wordt genomen. De bloeding zal worden gestopt door middel van coiling: het aanbrengen van een soort propje (coil) in het bloedende bloedvat. We brengen hem naar de angiokamer, waar deze ingrepen plaatsvinden. Omdat hij te zwak is om over te stappen naar het procedure bed moeten we hem tillen.

Machteloos

Hij kijkt me aan. Machteloos. Ik leg hem nog een keer uit wat er gaat gebeuren.  Zijn ooglid trilt en ik zie tranen opkomen. “Ik vind hier niks meer aan” zegt hij. Zijn ogen worden groter en zoeken de mijne. Hij pakt mijn hand vast.  “Dit komt toch wel goed?”

Het komt goed

“Vertel de patiënt nooit en te nimmer dat iets goed komt. Dat is een belofte die je niet kunt maken” hoor ik mijn vroegere docent zeggen in mijn hoofd. “Je kunt niet in de toekomst kijken”.

Hij blijft me aankijken, zoekend naar houvast. “Je kunt me wat, docent” denk ik.

“Het komt goed meneer”. “Het komt goed”, zeg ik. Zijn ogen worden zachter, en zijn hand knijpt minder hard. Klaar om de noodzakelijke ingreep te ondergaan.

Ik kan inderdaad niet in de toekomst kijken, maar mijn docent van destijds had ongelijk. Want goed komen, dat is zo veel meer dan alleen de fysieke uitkomst.